Rupert Sheldrake is een gerenommeerd wetenschapper, van oorsprong een bioloog, met voor sommige collega’s controversiële inzichten. Hij legt de nadruk op waarnemingen die in strijd zijn of lijken met de traditionele materialistische natuurwetenschappelijke aannames en modellen. Hij komt, bewust sporadisch met alternatieve verklaringen en pleit vooral voor een open blik voor verrassende verschijnselen. Daarbij hekelt hij het verdoezelen van waarnemingen die in strijd zijn met heersende ‘dogmatische’ grondbeginselen. In een zeer toegankelijke podcast heeft hij dit samengevat bij het verschijnen van een boek waarin een tiental tegenstrijdigheden zijn samengevat.
Hierbij een kort overzicht van deze tien punten, in eigen bewoordingen en interpretaties.
- De natuur is niet te begrijpen als een mechanisme. In een machine heeft elk element een duidelijke taak, waardoor het geheel faalt als een element faalt. De natuur moet vanwege het zelfherstellend vermogen worden opgevat als een organisme. Oorspronkelijk vinden we mechanismen in de door de mens gecreëerde machines en organismen in de levende natuur.
De wiskundige en filosoof Whitehead concludeerde al vroeg op grond van de relativiteitstheorie dat het heelal een samenhang heeft die te vergelijken is met een organisme. Het tussen Einstein en Bohr bediscussieerde fenomeen van de verstrengeling versterkte later dit beeld. Het scherpe onderscheid tussen de levenloze en de levende natuur verdwijnt daardoor. Dit is weliswaar in lijn met de pogingen van de natuurwetenschappers om de gehele schepping in een enkel stelsel van natuurwetten te vangen. Het leidt er echter ook toe dat de strakke, heldere formulering en hun universele geldigheid onder druk komt te staan. - De behoudwetten, met name die van materie en energie, zijn duidelijk ongeldig. Lokaal kunnen zij bruikbaar om verschijnselen te beschrijven. Hierbij is het echter noodzakelijk om geschikte definities te hanteren. Op kosmische schaal gelden zij echter duidelijk niet. Het invoeren van nooit waargenomen zwarte materie en zwarte energie is noodzakelijk om de globale consistentie van de natuurwetten te kunnen handhaven. Daarbij is worden verondersteld dat er voortdurend nieuwe materie en energie verschijnt.
- Waarom zouden natuurwetten overal en altijd hetzelfde zijn? Met name de natuurconstanten zouden zeer goed kunnen variëren. Dit is in lijn met het vorige punt. Het constant zijn van de natuurwetten door de tijd en op alle plaatsen is vrijwel niet te bewijzen. De gehanteerde afmetingen in tijd en ruimte van het heelal, het zonnestelsel en de aarde zijn op deze veronderstelling gebaseerd. De werkelijkheid zou volstrekt anders kunnen zijn.
- Hoe kan er bewustzijn ontstaan als de materie als bouwsteen van de kosmos geen bewustzijn heeft? Dit probleem heeft verschillende filosofen en natuurwetenschappers als Whitehead, Kastrup en Noble, ertoe gebracht om ook aan de materie zelf een elementair bewustzijn toe te kennen. Sheldrake lijkt deze bottom-up benadering te volgen. Deze miskent de mogelijkheid dat bewustzijn aan de materie vooraf gaat. Het zou toch ook zo kunnen zijn dat materie vanuit het reeds aanwezige bewustzijn ontstaat en dat het zich soms in materiële creatie handhaaft en soms ook niet en deze verlaat.
- Is de natuur er zonder doel, of zijn sommige processen (soms) intentioneel? Een zeer belangrijke vraag. Processen die intentioneel zijn, zijn niet terug te brengen op elementaire oorzaak-gevolg relaties. De intentie moet ergens anders vandaan komen. De traditionele fysica negeert deze mogelijkheid, of ontkent dat het een mogelijkheid is omdat ze zich niets buiten de bestaande materie en gedefinieerde wetten kan voorstellen.
- Kan het leven als beschreven door de biologie puur materieel zijn? Het is duidelijk dat Sheldrake niet-materiële invloeden open wil houden. Het volgende punt is een beginnende uitwerking daarvan.
- Heeft het geheugen een materiële grondslag? Sheldrake kreeg wereldwijde aandacht en kritiek doordat hij het bestaan van morfische velden postuleerde als een niet-materiële verklaring het geheugen. Herinnering en herkenning zouden zijn gebaseerd op zogenaamde morfogenetische resonantie tussen zintuigelijke waarnemingen en niet-materiële, buiten het lichaam opgeslagen herinneringen. Dit leidt onmiddellijk tot de mogelijkheid om herinneringen van anderen te benutten. Sheldrake geeft daar voor dieren en mensen voorbeelden van. Vooral herinneringen die geen zintuigelijke grondslag hebben, zoals gedachteconstructies lijken hiervoor geschikt. Vanuit een esoterische benadering lijkt het idee van Sheldrake veel op de zogenaamde Akashakroniek, waarin de gehele geschiedenis van de mensheid zou zijn opgeslagen.
- Kan het denken volledig worden beschreven door de hersenen? Het antwoord van Sheldrake op deze vraag is duidelijk ‘nee’. De hersenen hebben niet de capaciteit noch het materieel vermogen om alle herinneringen, gebeurtenissen en gedachten als beelden op te slaan.
- Zijn alle psychische verschijnselen op te vatten als illusies, of moeten niet materiële verklaringen worden geaccepteerd? Sheldrake gaat uitvoerig in op allerlei parapsychologische experimenten die duidelijk maken dat bepaalde vormen van helderziendheid, psychokinese en voorvoelendheid bestaan. Hij voert zelf grote aantallen experimenten uit en refereert vele anderen die duidelijk andere verklaringen dan de materiële nodig maken.
- Zijn de mechanistische medicijnen het enige geneesmiddel dat echt werkt? Hoe betrouwbaar zijn experimenten die de werking moeten aantonen? Hoe om te gaan met het verschijnsel van de placebo?
Het is duidelijk dat Sheldrake de mogelijkheid van niet-materiële verschijnselen open houd, zo niet zelfs verondersteld. Vanuit een antroposofische zienswijze lijken morfische velden veel op de etherwereld. Het blijft bij hem echter bovenpersoonlijk. Zoiets als een eigen etherlichaam waarin belevenissen worden opgeslagen die niet direct voor anderen toegankelijk zijn komt niet aan de orde. Hij neemt verder parapsychlogische verschijnselen zeer serieus maar komt niet met een nadere beschrijving van de zielenwereld. Hij is duidelijk gefocusseerd op de fenomenen en houdt modellen en potentiele verklaringen zolang mogelijk voor zich. Zeer toe te juichen.
In de laatste twee hoofdstukken, het 11e en het 12e wordt de huidige wijze van wetenschap beoefenen bediscussieerd. De veronderstelde objectiviteit van wetenschappelijk onderzoek en verslaglegging is volgens Sheldrake volstrekt onterecht. Persoonlijke keuzes, vooronderstellingen en paradigma’s waar onderzoekers binnen moeten blijven zorgen voor een conservatieve lijn een maken vernieuwende benaderingen moeilijk. Tenslotte geeft hij een aantal suggesties hoe het wetenschappelijk denken organisatie vruchtbaarder kan worden. Interessant is zijn pleidooi om de grens tussen religie en wetenschap te slechten. Zij hebben veel gemeenschappelijk en hebben beide behoefte aan een liberalere benadering.

