De weg door het leven

De weg door het leven is vol toevalligheden. Onvoorziene ontmoetingen, spontane ingevingen en kleine gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben. We schijnen een ongepland pad te volgen, dat ook volstrekt anders had kunnen verlopen. Uitzoomen of terugblikken kan tot een wat meer samenhangend geheel leiden. Hierbij een resultaat aan de hand van enkele bepalende incidenten.


Voor het vierde en vijfde jaar van mijn ingenieursopleiding moest ik een onderzoekgroep kiezen. Dat deed je op basis van het onderwerp of van de persoonlijkheid van de hoogleraar, de groepsleider. Ik ging voor het laatste. In zijn college over fysische meettechnieken had Prof. V. een grote indruk op mij gemaakt als een inspirerende, innemende persoonlijkheid: meten is tellen en voor tellen heb je getallen nodig. Wetenschap is daardoor een kwantitatieve wereld. Helaas, het bleek dat hij rector was geworden en zijn onderzoekgroep werd op non-actief gesteld.

De volgende keus was de kernfysica, gegeven door de gedreven, goedgemutste Prof. W. Een spannend vakgebied over de kleinste, elementaire deeltjes. Het college had ik al enige tijd geleden gevolgd, maar het mondelinge tentamen moest nog worden afgelegd. Al te te gretig had ik mij onvoldoende voorbereid en faalde. Ik kreeg nog een nieuwe kans en een hele zomer besteedde ik aan het moeilijke, sterk wiskundige dictaat. Tot mijn grote verbijstering faalde ik opnieuw. Er was een bottleneck in het dictaat bij de bespreking van een onbegrijpelijk fenomeen. De docent erkende later dat hij dit zelf ook niet goed begreep, maar dergelijke verschijnselen kwamen nu eenmaal voor. Ik had het als gegeven moeten accepteren en het daaruit voortvloeiende vervolg moeten kunnen uitleggen. Gegeneerd nam ik afscheid. Kernfysica was niet voor mij weggelegd. W. hielp mij nog verder om een andere groep te kiezen.

Ik kwam terecht bij een nog zeer jonge, populaire lector. Veel jaargenoten hadden hem gekozen. Hij was een oud student van V., nu de rector. Ik klopte op zijn deur, hij keek op van zijn bureau en staarde mij enigszins wanhopig aan. Nee, liever niet nog een student, maar de rector, zijn oude begeleider, had net besloten om op een laag pitje zijn groep in leven te houden. Hij wilde nog één student aannemen. Misschien wilde ik eens met hem gaan praten.

We spraken elkaar in de officiële kamer van de rector, in het hoofdgebouw. Ik werd aangenomen, maar wist eigenlijk niet waar zijn onderzoek over ging: patroonherkennen … Wat zou dat zijn? Een fantastisch nieuw onderzoekterrein dat met gebruik van de zojuist geïntroduceerde computers probeerde na te gaan of uit de resultaten van fysische metingen automatisch de wetmatigheden, dus de natuurwetten, zijn af te leiden. Iets wat tot dat moment een specifiek menselijk domein was. In anderhalf jaar voltooide ik de laatste twee studiejaren, werd aangenomen als assistent van V. om de kleine onderzoekgroep uit te bouwen. 50 jaar lang bleef ik dit fascinerende terrein trouw, kon interessante internationale contacten leggen en zelf tientallen studenten en promovendi begeleiden. Ik kreeg met veel interessante mensen te maken en kreeg vaak het gevoel dat mijn ontmoetingen door het lot gepland waren.


De onderzoekgroep Patroonherkennen was tijdens het rectoraat van V. maar klein, slechts vier studenten. Een technicus was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken, onderhield de contacten, zorgde voor de apparatuur en assisteerde bij de ontwikkeling van de programmatuur. Hij was ook een sociaal middelpunt, organiseerde gezamenlijke wandelingen en andere uitjes. We gingen samen fietsen en schaatsen en hij bracht mij in contact met mijn latere vrouw.

Jaren later trouwden wij. Zij had een vriendin met een zoon op een Vrije School. Ik had er nog nooit van gehoord. Nadat ik de antroposofie ontdekt had en wij samen kinderen kregen brachten wij ze ook naar deze school. Antroposofie werd een essentieel deel van ons leven. Om de weg daar naar toe te vinden was wel de enige ’toevallige’ hulp nodig.


Voor we trouwden waren er enkele jaren waarin ik mij met enthousiasme in de techniek en de principes van de patroonherkenning verdiepte, maar waarin ik ook steeds meer behoefte voelde aan een spirituele aanvulling. Ik werd enige tijd lid van een rozenkruiser organisatie en verdiepte mij daarna in het hindoeïsme en gerelateerde meditatietechnieken. Tijdens een bijeenkomst met gelijkgestemde leeftijdgenoten ving ik een zin op waarin iemand met overtuiging wees op de Geheimwissenschaft van Rudolf Steiner. Na enig zoeken in antiquariaten vond ik dit boek in een reguliere boekhandel. Ik las het in één adem uit en in enkele maanden las ik een tiental andere boeken van Steiner die in deze winkel beschikbaar waren. Dit was mijn wereld, hier voelde ik mij thuis! Ik had echter geen idee dat er nog zoiets was als een Antroposofische Vereniging en gerelateerde scholen, artsen, boerderijen en voedingswinkels.

Op een avond reed ik naar huis na een bezoek aan mijn toekomstige vrouw. Mijn oude auto, die al eerder kuren had vertoond, begon heftig te haperen. Ik kon nog net de snelweg verlaten en parkeerde hem achter een station. De volgende dag maakte ik een afspraak met een sloper. Ik moest bij hem mijn geld halen en sleutels en papieren bezorgen. Op zoek naar zijn adres liep ik door een wijk waar ik nog nooit geweest was. Mijn oog viel op een poster aan de deur van een voedingswinkel. Het was een aankondiging van een lezing van het Centrum voor Antroposofie. Ik had nog nooit van dit centrum gehoord en was verbijsterd. Natuurlijk ging ik er heen, en ook naar alle volgende bijeenkomsten.

Spoedig zat ik in een leesgroepje waar we ons in enkele jaren zorgvuldig door enkele van de boeken heen werkten die ik daarvoor in hoog tempo had verslonden. Ik sloot mij aan bij een tweede leesgroepje, werd lid van de Antroposofische Vereniging en richtte zelf een derde groepje op. Onze kinderen gingen later naar de Vrije School, mijn vrouw werd daar leerkracht en later schoolleide, ik kwam in het bestuur. Antroposofie werd een essentieel deel van ons beider leven.

Op een gegeven moment kwam er een vraag in mij op over de wezenlijkheid van de getallen. Het werd voor mij duidelijk dat het meten, gebaseerd op het tellen, zoals prof. V. mij duidelijk had gemaakt, een doorgeschoten kwantitatieve verharding was van kwaliteiten die essentieel niet konden worden gemeten. Hier opende zich een kloof tussen het menselijk vermogen om patronen te herkennen en de technische patroonherkenning die ik met computers probeerde te realiseren. Zeer veel later werd mij duidelijk dat deze kloof samenhangt met de uitdaging aan de mensheid om een brug te slaan tussen de bovennatuur en de ondernatuur. Rudolf Steiner wees hier aan het eind van zijn leven op.


Met de bovenstaande schets van de weg door het leven illustreert hopelijk dat deze weg soms gewezen wordt door toevallige gebeurtenissen. Hier spelen mensen en omstandigheden een rol waarvan de essentie volledig verborgen blijft op het moment dat het zich afspeelt. Pas veel later wordt duidelijk hoe het pad door het leven misschien niet volledig is uitgestippeld, maar wel een duidelijke richting heeft. Het toeval is niet willekeurig, maar verbergt wel zijn intenties.

Scroll naar boven