De zin van het toeval

Mijn grootmoeder was oorspronkelijk met de broer van mijn grootvader verloofd. Voordat ze konden trouwen overleed deze broer in 1918 aan de Spaanse griep. Daarna trouwde zij met mijn grootvader. Zij lieten een portret van de overleden broer schilderen dat altijd in de woonkamer hing. Rond haar 70ste overleed mijn grootmoeder. We kwamen terug van de begrafenis. Iemand opende de kamerdeur wat al te heftig waardoor de openslaande deur tegen het portret van de broer sloeg. Het viel op de grond, met spijker en al. Mijn grootvader zette het in een hoek en heeft het nooit meer opgehangen.

Het schilderij hing al ongeveer 15 jaar naast de deur en al die tijd had die er tegenaan kunnen slaan. Pas direct na de begrafenis van mijn grootmoeder, de liefde van de geportretteerde, gebeurde dit. Het portret had zijn functie vervuld. Ik zat als 20-jarige aan de tafel en staarde naar het incident. De symboliek ging onmiddellijk door mij heen, en ook de vraag: was dit toeval?

Deze website bevat een aantal voorbeelden van toeval die onmiddellijk vragen oproepen als: wat voor machten zitten hierachter? Wat willen zij? Begrijp ik de wereld wel voldoende? Zie bijvoorbeeld mijn biografische schets, en mijn tocht naar de Noordkaap. Hoe kan het dat de lijn en de samenhang in de biografie tot stand komt door toevallige gebeurtenissen als een mislukt tentamen en een weigerende auto? Ik ging op zoek in boeken die toevallig op mijn pad kwamen of door goede vrienden werden aangeraden.

David Hand, Het onwaarschijnlijkheidsprincipe, 2014.

Vanuit een statistisch oogpunt zijn er heel wat argumenten te geven waarom onwaarschijnlijke gebeurtenissen toch plaats vinden. De leidt tot interessante anekdotes, goed leesbaar en met humor opgeschreven door een professionele statisticus. Er is niet veel reden om er wat achter te zoeken, behalve als het onszelf betreft. Een uitvoerige boekbespreking is op het internet te vinden.

Klaas Landsman, Naar alle onwaarschijnlijkheid, 2018.

Hoewel geschreven door een mathematisch fysicus is de ambitie van dit boek wat breder, zoals de ondertitel “toeval in de wetenschap en filosofie” aangeeft. Zuiver toeval, de biologische evolutie, de vrije wil en de religie komen ook aan de orde, naast de dominant aanwezige discussies over de bronnen van onzekerheid in de fysica. Deze vormen voor Landsman de oorsprong van alle andersoortige toevalligheden.

Wie zich wil verdiepen in de discussies tussen Heisenberg, Bohr, Schrödinger, Dirac en Einstein vindt hier voor de leek redelijk toegankelijke beschrijvingen. Interessant, bijna komisch is hoe Landsman worstelt met het gedachtenexperiment van de kat van Schrödinger, daarbij anderen verwijtend dat zij het essentiële probleem dat hier wordt opgeroepen niet als zodanig ervaren. Het is duidelijk hoe hier fundamentele basisveronderstellingen (dogma’s zo men wil) botsen.

De analyse van de oorsprong van het verschijnsel van verstrengeling van deeltjes heeft hier direct mee te maken en wordt voor sommige lezers toch niet helemaal helder. Zulke lezers blijven daardoor met de vraag zitten of het toeval begrepen moet worden als een essentiële consequentie van de ontmoeting van oorspronkelijk onafhankelijke deeltjes in hetzelfde universum, of als een resultaat van het zich geleidelijk onafhankelijk maken van deeltjes met dezelfde oorsprong.

We kunnen Landsman dankbaar zijn voor het feit dat deze vraag zich langzamerhand tijdens het lezen van het boek opdringt.

Jacques Monod, Toeval en onvermijdelijkheid, 1971.

De biochemicus Monod betoogt dat de evolutie volgens Darwin op statistische gronden (grotendeels?) te begrijpen is vanuit willekeurige variaties bij de celdeling. Er ontstaat dan een ogenschijnlijke doelgerichtheid in de evolutie die uitsluitend het gevolg is van toevalligheden die de evolutie overleefden. Monod betoogt dat het onvermijdelijk is dat door het willekeurige toeval een zinvolle organisatie ontstaat.. Wikipedia.

Arthur Koestler, De wortels van het toeval, 1972.

In dit boek wordt een duidelijke link gelegd met enerzijds de parapsychologie, helderziendheid en psychokinese en anderzijds met de kwantum mechanica. De samenwerking tussen Jung en Pauli komt een aantal keren aan de orde. Koestler is erg positief over de onderzoekingen naar parapsychologische fenomenen en documenteert dit uitvoerig met verwijzingen naar de wetenschappelijke literatuur. In vergelijking daarmee zijn de huidige Wikipedia pagina’s over dit onderwerp uitgesproken sceptisch.

Jung probeerde onderscheid te maken tussen synchroniciteit en serialiteit bij toevallige gebeurtenissen zonder duidelijke gemeenschappelijke oorzaak. De eersten vinden min of meer parallel plaats, bijvoorbeeld een droom en een corresponderende gebeurtenis, of een gedachte aan een persoon en een telefoontje van deze. De tweeden hebben betrekking op een reeks van soortgelijke gebeurtenissen. Er wordt vaak geprobeerd een link te leggen tussen gebeurtenissen en innerlijke belevenissen van de betrokkenen. Koestler lijkt de wortels van het toeval vooral te zoeken in hun mindset.

lja Maso, De zin van het toeval, 1997.

De hoogleraar wetenschapsfilosofie Ilja Maso heeft met dit boek een integere poging gedaan de zin van het toeval te onderzoeken. Het resultaat is duidelijk de vrucht van een gedegen wetenschappelijke studie. Hoewel Maso zijn eigen visies duidelijk laat doorklinken bestaat hij ook de nodige aandacht aan alternatieve inzichten. De index en de uitgebreide bibliografie kunnen zeer behulpzaam zijn voor wie zich verder in het onderwerp wil verdiepen.

Drie benaderingen spelen in het boek een dominante rol:

  • serialiteit, een reeks gebeurtenissen die voor de waarnemer verbonden lijken, maar waarvan de gemeenschappelijke oorzaak onduidelijk is.
  • synchroniciteit, vrijwel gelijktijdig optredende gebeurtenissen die naar elkaar lijken te verwijzen, maar eveneens zonder aanwijsbare oorzaak. Het bekende voorbeeld is een telefoon oproep van iemand die je lang niet hebt gesproken maar waaraan je vlak van te voren wel dacht.
  • serendipiteit, een wakker makende coïncidentie die de waarnemer op een volstrekt nieuw, maar nuttig spoor zet.
  • louter toeval, een coïncidentie die wel als bijzonder wordt opgemerkt, maar die niet als een van de hiervoor genoemde patronen kan worden gekwalificeerd.
  • het lot komt volgens Maso niet voor als een afzonderlijke vorm van toeval, anders dan de hier al genoemden

Vele onderzoekers en voorbeelden van deze typen toeval passeren de revue. Regelmatig wordt ingegaan op de mogelijke samenhang met paranormale verschijnselen als helderziendheid, telepathie en psychokinese. Zeer te prijzen zijn het uitvoerige notenapparaat, een personen- en zakenregister, en de bibliografie.

In zijn laatste woorden kwalificeert Maso de ontdekking van de penicilline als gebaseerd op louter toeval en oppert hij de mogelijkheid dat deze wordt veroorzaakt door een drang van God om zich verder te ontplooien. Toch wel bijzonder voor een hoogleraar aan een humanistische universiteit.

C.W. Rietdijk, Experimenten met God, 1989.

Wim Rietdijk (1926-2020) was een gepromoveerd theoretisch fysicus die vooral bekend werd door zijn cultuur-filosofische werken gebaseerd op strikt rationele redeneringen leidend tot vaak controversiële discussies. Zijn boek “Experimenten met God” is hierin enigszins een uitbijter omdat hij hierin openlijk worstelt om wetenschap en religie met elkaar te verbinden.

Het boek start met een simpele illustratie van zijn filosofische bijdrage aan de relativiteitstheorie die bekend is geworden als het Rietdijk-Putnam argument. Een consequentie van de relativiteitstheorie, die Rietdijk niet bestrijdt, zou zijn dat twee personen die zich op dezelfde plaats bevinden maar zich in verschillende richtingen bewegen vanwege hun snelheidsverschillen een andere blik op de wereld hebben. Met name wat voor de een actualiteit is zou voor de ander toekomst zijn. Hierdoor is het mogelijk de toekomst waar te nemen en die moet dus al bestaan. Het resulterende driedimensionale universum plus tijdsdimensie is daardoor een vierdimensionale realiteit. De mogelijkheid om de toekomst te zien.

Deze observatie komt regelmatig terug in het boek. Het verklaart volgens de auteur waarom sommige mensen helderziende ervaringen kunnen hebben. Rietdijk neemt, evenals Koestler en Maso paranormale verschijnselen als helderziendheid, telepathie en psychokinese serieus. Zij zouden samen met standaard fysische gebeurtenissen tot een gemeenschappelijke verklarende beschrijving moeten komen. Hiervoor wordt het begrip bovenlokale coherenties ingevoerd: een samenhang tussen het hier-en-nu en wat elders, later en eerder gebeurt.

In verband met het toeval, dat ons hier interesseert, wordt door Rietdijk het begrip ‘groepsziel’ ingevoerd. In de antroposofie wordt dit gebruikt om de wezenlijkheid te beschrijven van een samenhangende groep mensen (of dieren) te beschrijven, Het kan variëren van een paar vrienden tot een gezin, een dorp, een sportclub, tot een land of een taalgebied. Op de een of andere manier leidt het gemeenschappelijk beleven tot een groepsidentiteit die ook het handelen van de individuele groepsgenoten beïnvloedt. Juist dit handelen heeft weer een werking op de groepsziel waardoor gebeurtenissen kunnen optreden die als toeval kunnen worden ervaren. Dit nodigt de lezer uit om zelf te gaan experimenteren.

Ten slotte

De eerste drie hierboven genoemde boeken ademen een materialistisch wereldbeeld, waarbinnen het toeval verklaart kan worden uit mathematische en fysische wetmatigheden. Het heeft verder geen diepere betekenis, hoewel de auteurs in een enkel geval aangeven dat dit soms lijkt te schuren. Koestler en Maso integreren in hun benaderingen ook verschijnselen die een parapsychologische verklaring oproepen. De rationalist Rietdijk verwijdt zijn mathematisch-fysische achtergrond tot discussies die voor sommige lezers tot de metafysica zullen behoren. Hij kan dit doen doordat hij de waarnemer integreert in de waarneming daartoe uitgenodigd door de moderne fysica.

Het tweede drietal boeken is voor een antroposofisch geïnteresseerde lezer interessant, omdat relaties tussen toeval met lot en karma duidelijk worden opgeroepen en soms expliciet worden genoemd. Een inventarisatie van waar in de voordrachten en boeken van Rudolf Steiner een verband moet het toeval bestaat is gepubliceerd door Marcel Nordlohne: Rudolf Steiner und der Zufall, Ein Wegweiser, 2008. Dit boek verdient een afzonderlijke bespreking. Dit komt er misschien nog eens van.

Scroll naar boven